Beschrijving
Bij opgravingen in Wijk bij Duurstede, op het terrein van het voormalige Dorestad, werden twee bijzondere vlechtwerkconstructies gevonden die vermoedelijk als viskaren hebben gediend. De constructies bestonden uit raamwerken van eikenhout met wanden en bodems van gevlochten wilgentenen, beide vervaardigd uit lokaal beschikbaar materiaal. Volgens dr. W. A. Caspari waren de gebruikte wilgentakken twee- tot driejarig.
Het vlechtwerk zelf kon niet intact worden geborgen, maar de opbouw ervan was nog duidelijk af te leiden uit de houten onderdelen. De vier eikenhouten planken waren op vrijwel regelmatige afstanden van ongeveer 25 centimeter doorboord in twee loodrecht op elkaar staande richtingen. Door deze gaten staken houten roeden, waaromheen de wilgentenen waren gevlochten. Zo ontstonden bodem en opstaande wanden in de vorm van rechthoekige bakken.
Van de twee gevonden constructies had de ene een afmeting van circa 1,45 × 1,70 meter en bevond zich binnen een wattle-enclosure. De andere, aangetroffen in natuurlijke sedimenten, mat ongeveer 1,35 × 2,10 meter.
Vermoedelijk werden de roeden aan de bovenzijde eveneens door een houten raamwerk bijeen gehouden, vergelijkbaar met de constructie van de bodem, al is daarvan niets bewaard gebleven. Ook wordt aangenomen dat de bakken oorspronkelijk afgesloten konden worden met een deksel van vlechtwerk of planken, maar hiervoor ontbreekt direct archeologisch bewijs.
De constructies waren eenvoudig uitgevoerd. De planken waren met bijl of dissel ruw in vorm gehakt. De twee lange zijden bestonden uit relatief dikke balkvormige delen, terwijl de korte zijden uit dunnere planken waren vervaardigd. Eén van deze korte planken vertoonde nog duidelijk de wigvormige doorsnede die kenmerkend is voor uit een stam gekloofde planken. Opvallend is dat de houten delen onderling niet waren verbonden; het vlechtwerk hield de gehele constructie bijeen.
De onderzoekers interpreteren de vondsten als viskaren: bakken die in het water geplaatst konden worden om gevangen vis levend te bewaren totdat deze werd geconsumeerd of verhandeld. Absolute zekerheid hierover bestaat echter niet. De interpretatie berust op de constructievorm, de ligging van de vondsten in de rivierbedding en vergelijkingen met bekende visbewaarconstructies. Zoals de opgravers zelf benadrukten, blijft het uiteindelijk een hypothese, al werd die destijds breed gedeeld door de deelnemers aan het onderzoek, onder wie de oud-visser C. van Duijn.


